Filosofie in De Kleine Kerk: Karl Popper, Richard Rorty en Rosanvallon
De komende maanden organiseren we drie laagdrempelige filosofieavonden, steeds met een ander thema dat direct raakt aan ons leven. Elke avond begint met een korte inleiding door John Hermarij, die ons meeneemt in het denken van een belangrijke filosoof. Daarna gaan we met elkaar in gesprek: wat betekenen deze ideeën voor ons, voor keuzes in ons leven, voor hoe we naar de wereld kijken?
John brengt jarenlange ervaring mee als trainer, schrijver en adviseur, met een sterke interesse in filosofie, maatschappelijke vraagstukken en de manier waarop mensen betekenis geven aan hun leven. Daarnaast is hij als burgerraadslid actief in de lokale politiek. Hij staat bekend als iemand die theorie graag verbindt aan de praktijk — dus deze avonden beloven geen droge lezing, maar een uitnodiging tot reflectie én ontmoeting.
27 januari – Hoe moedig moet je zijn?
We starten met een avond over eerlijkheid en moed. Filosofen als Michel Foucault laten zien dat waarheid spreken niet vanzelf gaat: soms kost het spanning, risico of ongemak. Samen onderzoeken we herkenbare momenten waarin je je uitspreekt — of juist twijfelt. Een laagdrempelige avond over moed in het dagelijks leven.
17 februari – Heb je politieke partijen nodig?
Simone Weil stelde een verrassende vraag: zouden we zonder politieke partijen misschien beter kunnen nadenken over het algemeen belang? Deze avond gebruiken we haar gedachte-experiment om anders te kijken naar onze democratie. Wat doen partijen goed, wat doen ze minder goed, en kunnen we ons politiek handelen ook los daarvan bekijken?
24 maart – Wat kun je eigenlijk zeker weten?
Veel mensen ervaren vandaag dat er iets wringt in de democratie. We stemmen, er zijn verkiezingen, parlementen functioneren, en toch is er een breed gevoel van afstand tussen burgers en politiek. Het vertrouwen in partijen neemt af, populistische bewegingen winnen terrein, en tegelijk lijkt niemand precies te weten wat er dan fundamenteel mis is. In deze lezing wil ik drie denkers gebruiken om dat probleem te verhelderen: Karl Popper, Richard Rorty en Pierre Rosanvallon.
Popper laat zien dat democratie niet berust op het bezit van waarheid, maar op het vermogen fouten te corrigeren. Rorty gaat nog een stap verder en stelt dat zelfs onze morele overtuigingen geen absoluut fundament hebben; zij ontstaan uit historische omstandigheden en uit onze bereidheid ons met anderen te identificeren. En Rosanvallon onderzoekt vervolgens wat dat betekent voor de praktijk van de democratie: als waarheid en moraal niet meer op vaste grond rusten, dan moet democratie voortdurend worden onderhouden door kritiek, controle en actieve burgers.
De centrale vraag van vanavond is daarom niet: wat is de juiste politieke waarheid? Maar eerder: hoe kan een democratie functioneren wanneer zij geen definitief fundament meer heeft? Door Popper, Rorty en Rosanvallon naast elkaar te leggen, wil ik laten zien dat juist in die onzekerheid een andere vorm van democratische kracht kan ontstaan — een democratie die niet alleen bestaat uit stemmen bij verkiezingen, maar uit een samenleving waarin burgers blijven kijken, oordelen en spreken.
